Column: polonaise of gepakte tassen

Het is weer die tijd van het jaar. De tijd waarin de geur van versgemaaid gras wordt verdrongen door de geur van angstzweet en goedkope haargel. Het einde van het seizoen is namelijk niet alleen de ontknoping van de competitie; het is de opening van de Nationale Sport-Leegloop. Of je nu met een schaal boven je hoofd staat of met de tranen in je ogen naar de kelderklasse degradeert, één ding is zeker: de trouw van een gemiddelde amateurspeler is ongeveer net zo stabiel als een kaartenhuis in een windtunnel. Je zou denken dat een kampioenschap de ultieme lijm is. Iedereen in de polonaise, gratis fusten bier van de voorzitter en de belofte dat we “volgend jaar de top gaan bestormen”. Mispoes.
Zodra de confetti is opgeveegd, begint de telefoon van de topscorer te trillen. Een club drie dorpen verderop biedt hem “een onkostenvergoeding” aan. Ineens is de clubliefde verdwenen als sneeuw voor de zon. Ineens zoek de spits een nieuwe uitdaging die vaak niets anders is dan een paar gratis kicksen en een tankpas. Het vervelende is, de vereniging promoveert naar een zwaardere klasse, maar moet die oorlog gaan winnen met de restjes van wat er over is. Drie clubs, getrouwe veteranen met versleten knieën en een keeper die eigenlijk alleen komt voor de derde helft. Aan de andere kant van het spectrum hebben we de degradanten. Hier is het dan geen “nieuwe uitdaging”, maar een collectieve vluchtpoging. Zodra het laatste fluitsignaal klinkt en de degradatie een feit is, verandert de kleedkamer in een aflevering van Houdini. De spelers die het hardst riepen dat ze “voor elkaar door het vuur zouden gaan”, zijn de eersten die hun overschrijving aanvragen. Hun redenen zijn divers. Zeg nou niet dat je het niveau wilt behouden want je bent net gedegradeerd.
Daar zit je dan als bestuur. De trainer is inmiddels ook vertrokken naar een club die wél een fatsoenlijk ballenhok heeft, en de technische commissie zit met de handen in het haar.
De inventarisatie voor volgend seizoen ziet er belabberd uit. Spits weg voor een tankpas, jeugdig talent naar de concurrent en de aanvoerder wil vaker met zijn kinderen weg. Uiteindelijk blijft de club over met de harde kern: de mensen die niet meer kunnen voetballen, maar wél kunnen blijven zitten. De mensen voor wie de clubkleuren niet een tijdelijk shirt zijn, maar een genetische afwijking.
Terwijl de “sterren” elders hun geluk beproeven, staat de voorzitter in augustus weer op het veld met een groepje enthousiaste amateurs die de bal nog geen drie keer hoog kunnen houden. Maar ach, we hebben in ieder geval nog een kantine, een werkende tap en de hoop dat we volgend jaar weer mogen huilen of juichen.
Want één ding is zeker in de sport: de peren zijn misschien gebakken, maar zolang er iemand is om ze op te eten, blijven de clubs wel overeind.
- Column: de dans van de standbeelden

- Column: “Looos”, de kreet die iedereen begreep

- Column: het goddelijke schot

Naar alle columns van Gerard Mak
Schrijf je hier in voor de Voetbal Varia Nieuwsbrief
* KNVB publicaties
* Updates overzicht vacatures
* Updates overzicht toernooien
* Kortingen in de Voetbal Varia Webshop
Foto Theo van Vlaanderen
